Getal-wezens en bood-schap-pers

Hoe het volgende verhaal ontstaan is weet ik niet meer precies; het  verschijnsel van cijfers en getallen is er langzaam ingeslopen, in de conversatie tussen ons en de reiswezens. En wat soms lastig is, is dat ik af en toe niet weet wie er spreekt: Margrete of een natuurwezens dat via haar spreekt. En nog lastiger: soms weet ze dat zelf niet eens. Dan zegt ze ook: ik weet niet of ik dit nu ben of dat het me ingegeven wordt. Zo heb ik al eens eerder geschreven dat ze thuis geregeld (bijna dagelijks) aan mij vraagt: Hou je nog van mij? En hoeveel? Dit is typisch van een grappenmaker-natuurwezen die bij ons in huis huist, want op reis stelt ze deze vragen nooit. Zelf zegt ze ook dat de vraag of ik nog van haar houdt haar eigenlijk helemaal niet bezig houdt, en dat geloof ik ook van haar.

De laatste maanden, na haar longontsteking, en de snel opspelende vermoeidheid van haar, dat zij weinig naar buiten gaat, veelal voor de beschutting van thuis kiest. Ik ga dan nog wel de deur uit, boodschappen doen, wat dan ook; onze jongens, en vooral de hare, vinden dat natuurlijk nogal saai, en zo zijn ze ertoe gekomen om aan de dagen met ons een cijfer toe te kennen. Laatst hadden we een ochtend dat het tussen ons helemaal niet lekker liep, ik deed niets goed in haar idee en ik heb me toen maar boven in huis teruggetrokken, wat haar natuurlijk ook alweer niet aanstond. We zijn er samen wel uitgekomen, we waren beiden te moe nog van de dag ervoor, konden er daarna weer om lachen, maar het was wel even wat. ’s Avonds vertelden de reiswezens dat ze het niet leuk gevonden hadden, en vroegen wat voor cijfer ik dan wel voor die dag zou geven.

Dan moet je wel bedenken dat de reiswezens geen flauw benul hebben van getallen. Het enige wat ze van ons geleerd hebben is dat Margrete en ik samen twee zijn, en zij samen ook, en dat dat samen vier maakt. En Odilia daarbij maakt dan …eh ..eh..even vragen…..VIJF! Precies!  En precies dat wekt dan mijn nieuwsgierigheid, want aan wie vragen ze dat dan?? Nou, een wezen dat getallen kent en ons daarmee helpt. 

Laatst hadden we een soortgelijk gesprek, welke score ze ons voor die dag wilden geven, maar we zaten in de auto, en daar bleek geen getalswezen aanwezig te zijn. Daar konden ze ons dus niet antwoorden.

Nu weer even terug naar die nogal vervelende ochtend: ik gaf die dag een zes min. De laagste voldoende die je kunt scoren op je rapport (even de vijf-en-een-half buiten beschouwing gelaten) en zo ontstond de gewoonte om de dag een cijfer te geven op de schaal van één tot tien. Soms draaiden ze de werking ook we eens om: als jullie de hele dag thuis blijven geven we jullie een laag cijfer hoor! Maar meestal scoorden we, en vooral ik, want ik kom het meeste buiten, een zeven, en laatst zelfs een acht toen ik ’s middags bij de speeltuin gepauzeerd had.

   Ze hadden soms de neiging Margrete een lage score te geven omdat zij vanwege haar longontsteking echt nog rustig aan moet doen;     tegelijk beseften ze wel dat Margrete zelf ook niet blij was met haar situatie van rustig aan doen, en daar toonden ze dan weer begrip       voor: Eigenlijk wel zielig voor haar hè, dat ze zo saai moet doen, dan geven we haar toch maar een …eh….even vragen…. een zes!  

 

En zo spelend en misschien wel plagend kwamen de reiswezens ertoe om mij te vragen hoeveel ik van Margrete hou. Ik: heel veel. Nee, wij willen een getal. Ik plaagde terug: vraag maar aan jullie getalwezen of hij kan zien hoeveel ik van haar hou. Stilte.
Toen ineens, heel verrassend: hij zegt honderd! Dan is het goed. Is dat veel? Ja, dat is het hoogste wat mogelijk is, als je tenminste uitgaat van een schaal van honderd procent (zegt hun dus helemaal niets). En hoeveel hou jij van ons? Oh jee, nu wordt het link. Vijfenzeventig! Stilte. Is dat veel?  Vraag maar aan jullie getalwezen. Even stilte weer. Hij zegt dat het heel veel is, zeiden ze glunderend (kan dat? ik kan ze niet zien, maar ik kon voelen dat ze glunderden!