Juli: het grap-pen-maker-wezen

’s Avonds in bed, vlak voor ons slapengaan, spreekt er door Margrete heen (zo gaat dat gewoon bij haar) een voor ons onbekend grappenmakerwezen: (dus niet Ootje, die kennen we, hebben we al eerder over geschreven, die laat Margrete steeds maar aan mij vragen “Hou je nog van mij, en hoeveel?, en die gaat nooit mee op reis, en op reis stelt Margrete me deze vragen dus ook nooit)  “Hupperdepup, snoep op de stoep” als variatie van wat onze reiswezen wel vaker zeggen “Hoeperdepoep, poep op de stoep” . Ik was heel even verbaasd, waar komt Margrete nou mee aanzetten, maar toch alert, en sprak direct het wezen aan: Hé jij grappenmaker, ben jij er nog? Margrete door weg onder de dekens (hij zat dus nog bij haar!), schudde haar hoofd, maar bracht geen woord uit. Ik stelde ‘m nog wat vragen, kennen we jou? (hevig nee-geschud), ben jij een grappenmaker? (ja-geknik), kun jij praten? (soort van nee-geschud), heb je een naam? (nee-geschud), zal ik je maar laten gaan? (hevig ja-geknik). En weg was ie, ook tot grote opluchting van Margrete, want die had al die tijd zijn spanning in haar lijf gevoeld, niet prettig!
 
Een paar dagen later willen Margrete en ik elkaar de nachtzoen geven, zegt ze ineens: Gaan jullie tennissen? Weer even van mijn stuk natuurlijk, maar nog snel genoeg om de grappenmaker te pakken met mijn vragen: Had je niet verwacht hè? (nee) Ben jij dezelfde als een paar dagen geleden? (ja) Jij houdt wel van een lolletje,hè? (ja) Maar vind je het nu ook leuk dat ik nu een lolletje met jou uithaal? (mmm) Woon je in ons huis? (ja/nee). Kom je ook bij de buren met de kindertjes aan de overkant? (ja) Ken jij onze reiswezens? (ja) Zijn die ook leuk? (ja). Zal ik je nu maar laten gaan? (heftig ja).  Want ik vond het wel leuk om ‘m terug te pakken, maar als ik ‘m te lang vast houd met mijn vragen beschadig ik zijn licht en dat wil ik niet op mijn geweten hebben.
 
Onze reiswezens waren op dat moment, met onze instemming, bij de kindertjes aan de overkant, dus kwamen de volgende ochtend bij ons ontwaken aankloppen: We hebben wat gemist hè?  Ja, die grappenmaker weer, jullie kennen ‘m. Ja, we hebben ’t gehoord. Van wie? Weten we niet, contactwezens of zo. Ik  heb ‘m een hoop vragen gesteld, een hele tijd vast gehouden. Zal hij niet leuk gevonden hebben! Nou, als grappenmaker moet je tegen een grapje kunnen, toch? Maar weten jullie of ik ‘m ermee beschadigd heb, want dat was zeker niet mijn bedoeling. Weten we niet. Kunnen jullie dat effe gaan navragen? Hij is er nu niet. Nee, niet bij hem, maar bij anderen. Dan moeten jullie even wachten. Doen we. Even later: Nee, hij is niet beschadigd, maar wel erg geschrokken, daar is ie even – ja hoe noemen we dat? – eh – verkreukeld van geworden, hij moest daarna weer wel zichzelf een beetje opblazen, eh weer glad strijken zou je kunnen zeggen, maar dat kon ie zelf, zonder hulp, dus niet erg. Denken jullie dat ie nog wel ’s terug komt? En eh, we hebben ook nog gehoord dat ie er de volgende keer wel voor gaat zorgen dat ’t niet weer gebeurt, maar erg slim is ie niet geloven we, dus of ‘m dat dan lukt? Maar hij krijgt natuurlijk wel hulp, net als wij, wij zijn ook niet slim, maar worden wel altijd geholpen, dus hoe dat de volgende keer gaat weten we niet hoor! We zien wel, en dankjewel! Jullie, wij zijn jullie, dag!
 
Na dit gesprek met Odilia contact gevraagd. Hoe dat nou precies zit, dat gekreukeld zijn en zichzelf weer opblazen, we praten toch puur over lichtenergie neem ik aan? Ja, zijn licht was een beetje verzwakt, zou je verkreukeld kunnen noemen, dat klopt wel, en zich opblazen of glad strijken is wat jullie mensen ook kennen: als jullie heel erg schrikken krimp je ook even in elkaar, raakt je aura wat verkreukeld zou je kunnen zeggen, en moet je even tijd nemen om weer tot jezelf te komen, het weer glad strijken, is heel normaal, ook na een stevige inspanning, moeten jullie je energie waar terug pakken, net als bij natuurwezens, gaat eigenlijk vanzelf, maar je moet er wel even de tijd voor nemen. Toen jullie indertijd onverwachts vertrokken en de reiswezens niet met jullie verbonden waren, toen was er sprake van een echte beschadiging, als dat wat langer had geduurd hadden ze het niet meer gered, dat zou hun einde betekend hebben, toen was er echt hulp van buiten af nodig en heeft dat ook een hele tijd geduurd; daar was nu geen sprake van. 
Ik heb nog een heel andere vraag aan jullie: ik heb begrepen dat wanneer jullie op reis gaan er mensen in jullie woning komen wonen? Klopt. Hebben jullie er bij stil gestaan dat als jullie wellicht onverwachts eerder naar huis moeten keren? (daar had ze ons al eerder voor gewaarschuwd, dus het is niet meer zo onverwachts, Nederland of Duitsland krijgt b.v. weer code oranje! of wellicht iets anders, we weten niet wat zij voorziet). Ja hoor, dan kunnen onze logees beneden en wij boven slapen, hebben we al bedacht. Fijn, dat was het. Tot later? Ja, dank en tot later.
 
In Heiloo, na het bezoek aan een oude vriend van me, genieten we nog even van de zon in een natuurgebied aan de rand van Heiloo en zien vlakbij de parkeerplaats op een fietspad paardenpoep liggen, uitstekende mest voor de tuin! Margrete doet er wat van in een plastic zakje, maar er ligt nog veel meer. Vlakbij onze auto ligt een doos waar het restant ruim in past, en met een kartonnetje heb ik het er gemakkelijk in geschoven. We komen wat laat thuis, gaan slapen, klinkt er ineens: loos  loos loos, poep in de doos! Nu had ie ons goed te pakken, totaal verbouwereerd, en we moesten er ook om lachen, gebruikt ie mijn naam om te rijmen! Toch wel een bijzonder talent deze grappenmaker, en ik ben te laat om ‘m nog te pakken; bovendien gun ik ‘m zijn succes wel. 
 
Even later de reiswezens: Hij heeft jullie verrast hè, hij is nu niet meer hier, hij is naar de overkant! Maar hij is wel leuk hè, was een goeie! Ja zeker. Nou zal ie wel een tijdje wegblijven denken we. Denken wij ook. En ’t is niet zo maar een grappenmaker, hij is nog een taalkunstenaar ook! Ja, proberen wij ook wel ‘s, maar als we dat doen dan worden wij altijd geholpen, wij kunnen dat niet zelf. Maar misschien is hij ook wel geholpen, maar we hebben dat niet kunnen zien. Hij heeft ons er nog één verteld: kakkerdekak, poep in de zak, goeie hè! Nou zeker, hoe komt ie eraan! Enige tijd later, de reiswezens: Mogen wij wat vragen? Ja. Kak, is dat poep? dat woord kennen wij niet. Ja, kak is poep, dat klopt. Wisten we niet. Ja hoor, dat woord kennen alle mensen wel.
De volgende ochtend in de slaapkamer, alweer de reiswezens: Hij durft niet hier te komen, maar wel in de keuken, heeft ie ons er nog één verteld: Sapperdeflap, poep op de trap! Sapperdeflap? Dat is toch van Pipo de Clown? Kent ie dat ook al? Een echte taalkunstenaar! Alleen klopt ’t niet, op de trap ligt geen poep, maar verder wel een goeie hoor! Ja vonden wij ook! Leuk hè!
 
Nu heb ik een vraag aan jullie: is hij nog in de keuken? Nee, hij ging gauw de deur uit, maar dan niet echt door de deur natuurlijk. Mooi, dan kan hij me nu niet horen. Denken jullie dat als hij in de keuken is, ik hem kan “vangen” door ‘m aan te spreken? Wij denken van wel. Mooi, dan ga ik ‘m binnenkort verrassen! Wraak!
En ik heb nog een vraag:  Is hij hier al lang, zeg maar net zo lang als Ootje, of is ie later gekomen, want wij kennen ‘m pas sinds kort. Hij was hier altijd wel, hielp ons ook met onze grapjes, en was soms met Ootje aan het bomen samen. Maar pas kort geleden heeft ie ontdekt hoe wij door haar (Margrete) praten en is ie dat ook gaan doen.
Bomen, raar woord, bestaat dat woord wel? Er zijn geen bomen hier. Bomen is lang praten, overleggen. Net zo iets als zeuren? Ja, maar zeuren gebruik je eerder voor als je wat van een ander wil, zoals kinderen die hun zin niet krijgen. Zoals de kindertjes toen hier beneden? Precies! Mmm, raar hoor, jullie taal, net als hoge bomen vangen veel wind. Dat is toch ook zo? Ja, maar jullie gebruiken dat ook anders, snappen we niets van.
(geprobeerd uit te leggen, maar ze gingen liever naar de kindertjes aan de overkant voordat die naar school vertrekken)
 
De nacht na onze thuiskomst uit België (zie verderop) word ik om een uur of drie wakker, klaarwakker van een merkwaardige maar wel grappige droom. Margrete is ook wakker,  van mij? Ik zeg dat ik even naar de woonkamer ga, kopje thee nemen. Daarop hoor ik Margrete zeggen: Ga de aardappels maar schillen!Ik kijk er heel vreemd van op, moeten er aardappels geschild worden? Ik weet van niets! En raar dat ze er midden in de nacht over begint. Dit zijn zo mijn innerlijke gedachtenroersels, waardoor ik er aan voorbij ga dat ik weer ben beetgenomen door onze grappenmaker! Margrete had het direct door, heeft ’t natuurlijk ook aan den lijve gevoeld, maar het (ik) was al te laat, de dader was gevlogen! We hebben er nog even over nagepraat; we hadden er wel lol om, ja, ere wie ere toekomt, en originaliteit valt ‘m niet te ontzeggen! Hoe komt ie er bij? Wat weet ie van aardappels? 
Dan reageren de reiswezens: Leuk hè, hij is je te slim af, hij is al lang weg, wel lachen hè! Wij vinden dat wel leuk hoor. Ik geef ze groot gelijk, dit is zeker een grappige actie!
Maar eh, kunnen jullie me vertellen hoe hij aan die uitdrukking komt, dat de aardappelen geschild moeten worden? Oh, die zin hing hier nog wel ergens rond, die kon hij zo oppikken als het ooit zo gezegd is blijft dat nog heel lang hangen, klein kunstje voor hem.
Dat is interessant zeg; wij wisten dat menselijke gedachten heel lang (eeuwig?) op aarde in de ethersfeer blijven hangen, maar uitgesproken zinnen blijkbaar ook. En is een uitgesproken zin in wezen niet een uitgesproken gedachte? Wat een prachtig staaltje praktische geestwetenschap zo middenin de nacht! Met dank aan onze reiswezens en het grappenmakerwezen!