Taal-wezen

Tweemaal per dag mogen onze reiswezens naar de kindertjes aan de overkant (afgesproken in overleg met Odilia, afgestemd op wat goed is voor hun licht), dus tweemaal per dag de vraag: Mogen we wat vragen? Mogen we naar de overkant? Soms plaag ik ze er een beetje mee, zo van: even over denken hoor, of : nou, moeten we even over overleggen. Maar ook dat wordt afgezaagd. Laatst zei ik hun dat ook: jullie moeten eens iets nieuws verzinnen, als jullie steeds op deze zelfde manier blijven vragen ga ik Nee zeggen! Die avond voelde Margrete al spanning om zich heen, de reiswezens! Daar kwamen ze: Mogen wij wat vragen? Ik: dat hangt ervan af, komen jullie met iets nieuws? Ja! Mogen wij gaan buurten? Dat was wel heel verrassend, en goed verzonnen, knap hoor! Dus ze hiervoor direct een compliment gemaakt, en Ja gezegd. Helemaal verdiend, toch!

Toen ze terug kwamen waren we toch wel heel nieuwsgierig hoe ze hieraan waren gekomen en of ze zelf wel het woord “buurten” begrepen. Van het taalwezen natuurlijk!  En “buurten”, heeft dat te maken met buurjongens? Nou, dat zit er wel in, en met buurt, dat betekent omgeving, dus buurten is in de omgeving rond kijken. Dat is toch goed? Ja zeker, klopt helemaal!

De volgende dag: ze mochten ’s middags nog even bij mij achterop (de fiets) mee boodschappen doen (doen ze graag), en daarna….willen wij passagieren! Ik vond dit taalkundig niet helemaal passend, maar ze hadden zeker hun best gedaan, dus ok!  En de dag hierna: fourageren, is dat goed, wij weten niet wat het betekent, wij kennen het niet. Mijn antwoord: Fourageren is eten inslaan, voedsel verzamelen, dat betekent niet hetzelfde als naar de overkant gaan, en bovendien is dat ook niet de reden waarom jullie naar de overkant willen. Jawel, want er is daar altijd snoep, dat is toch ook voedsel, voor ons wel! Tja, dat is slim gevonden, jullie doen zeker je best! Nou, het taalwezen eigenlijk! Ja, jullie samen! Maar als jullie nu naar de overkant willen: ga je gang! Jullie, wij zijn jullie, we gaan al! Dag.                                                                                
De keer erna: Oversteken, wij willen oversteken, maar dat is geen goed woord toch, dat doe je bij een zebrapad, in die grote straat met tramrails, toch? Nou, ik vind het wel passend, hoe smal ons straatje ook is, je gaat wel van de ene naar de andere kant, en dat is oversteken. En bij oversteken moet je toch goed oppassen, naar links kijken en naar rechts, alleen weten wij niet wat dat is. Ach, je moet naar beide kanten kijken of er geen verkeer aankomt, zelfs in ons straatje b.v. of er niet ineens een auto of fiets de hoek omkomt, dus ik vind het wel goed, oversteken. Moeten we ermee doorgaan, want het wordt wel moeilijk hoor! Als jullie het  leuk vinden is dat prima, maar het hoeft niet, kies zelf maar. Kiezen jullie zelf maar, wij zijn jullie! Ja, het is goed, ga nu maar naar de overkant, veel plezier. Ja, dag!

 

Zo’n taalwezen is voor ons mensen een merkwaardig verschijnsel: hij is er alleen al hij aangesproken/uitgenodigd wordt. En zo zijn er heel veel  meer soorten die zich op deze wijze manifesteren. Maar waar blijven ze als ze niet aangesproken worden? Natuurlijk verdwijnen ze niet echt; ze doen alleen wel iets waardoor wij ze niet kunnen waarnemen. Hun wezen is eigenlijk een manifestatie, enigszins te vergelijken met een kunstenaar die zich manifesteert in zijn kunst, of een timmerman in zijn ambacht. Buiten kunstenaar of timmerman zijn, zijn deze mensen gewoon personen, vader, dochter, broer, zeurpiet of vreetzak, om maar wat te noemen. Een taalwezen heeft niet zo veel keus als een mens om zich op verschillende wijzen te manifesteren: hij is òf bezig zich te manifesteren als taalwezen, of hij is in een soort van slaaptoestand. Maar niet zoals mensen in een bewusteloze slaaptoestand zijn, nee meer in een verminderde bewustzijnstoestand, een soort vermindering van hun zelfgevoel, waarbij zij in hun innerlijk vervuld zijn van hogere geestelijke wezens, enigszins te vergelijken met onze geïnspireerde dromen. Wie hierover meer wil lezen: Rudolf Steiner, Leven met engelen en natuurgeesten, derde voordracht.