Polen het Noorden

 

Op weg naar Borecka Forest, Lipowo, Volvodeship Borecka (54.089670 / 22.156480). Onderweg zagen we langs de weg diverse prachtige gesneden houten beelden; ze stonden alle fier overeind, werden dus blijkbaar nog in ere gehouden. Heel mooi, gaf een warm gevoel. Diep het nationale park in reden we over onverharde wegen, een redelijk bospad op, tot op 2,5 km van ons doel. Ik durfde niet verder te rijden, ook met het oog op de regen van afgelopen nacht. Met de gps in de hand konden we nog een kilometer het hoofdpad volgen en moesten daarna rechtsaf het bos in. Er liep niet een echt pad, maar we konden vaag onderscheiden dat er hier wel vaker was gelopen. We liepen echter tegen twee problemen aan: de gps verloor de verbinding onder het dichte bladerdak, en het spoor werd steeds onduidelijker. We hadden voor alle zekerheid al tekens achtergelaten om de weg terug te kunnen vinden. Wat verderop was er geen spoor meer te onderscheiden en we durfden niet nóg verder, toen Margrete ineens links van ons een redelijk grote steen tussen de bomen ontwaarde. Was dat ‘m?

We vroegen onze reiswezens of ze al contact hadden gemaakt, maar ze zeiden Probeer maar op een toon die niet veel goeds beloofde.

Boreckafrest / Lipowo

Margrete ging als representant staan, draaide mij direct de rug toe en deed een paar stappen van me weg: Wat komen jullie hier doen, jullie verstoren mijn rust! Ik: Ik wil weten of je verbinding hebt met de grote steen daar verderop, die met het lichtwezen. Wat weet jij daarvan? Ja, daar weet ik iets van, daar komen we voor. Die wil ook niet gestoord worden, we willen met rust gelaten worden. Ik legde uit dat we een belangrijke missie hadden, nl. het Grote Lichtwezen weer in verbinding brengen en een nieuwe taak brengen. Dat was vroeger, dat is voorbij, nu willen we rust. Ik was niet van plan om het zomaar op te geven, wetende dat het nou eenmaal zo werkt dat ik ‘m kon vasthouden zolang ik wilde. Hij kon niet eenzijdig het gesprek stoppen en ik wilde toch proberen iets te bereiken nu zo dicht bij ons doel waren.

Ik legde hem uit over Odilia en dat het toch ten minste fair zou zijn als het lichtwezen Odilia zelf zou zeggen dat ie geen contact wilde. Hou je kop en hoepel op. Nee, dat deed ik niet. Ik vroeg ‘m of hij toch minstens zijn contactwezens naar het lichtwezen wilde sturen met mijn verzoek. Contactwezens! Hoe weet jij daarvan? dat weten mensen niet!

Nou, ik wel, en ik wil dat je die naar het lichtwezen laat gaan, en als het antwoord dan nog negatief is, dan geef ik ’t op. Beloof je dat echt, ga je dan echt weg, en neem je die twee vreemde gasten (onze reiswezens) met je mee?

Dat beloof ik, en die twee wezens horen bij ons en gaan dan ook weer met ons mee. Dan moet je wel even wachten. Geen probleem, we hebben geen haast.

Mijn strategie was erop gebaseerd dat ik veronderstelde dat Odilia de contactwezens van deze steen wel kon volgen en zo toch bij het lichtwezen van de megaliet kon komen. Wij konden ‘m dan weliswaar niet ertoe dwingen te reageren, maar wie weet Odilia wel, meer konden wij niet doen. En mijn strategie slaagde, hoorden we achteraf van Odilia. Ze had de contactwezens kunnen volgen en het lichtwezen kunnen bereiken en was niet van plan om hem los te laten om hem in zijn afweer (= pijn) te laten zitten, maar om hem liefdevol te benaderen en haar liefde, begrip, geduld en ondersteuning aan te bieden, ook al was ie nog altijd zeer afwerend.

De contactwezens kwamen inderdaad met een negatieve reactie terug. Ik hield me aan mijn belofte en vertrok, maar niet zonder het steenwezen nadrukkelijk te bedanken voor zijn medewerking. Ja, ga nou maar, het is genoeg zo.

Later, terug in de auto, vertelden de reiswezens dat ze tot op het laatste moment nog bij de steen waren gebleven en ‘m flink hadden lastig gevallen, tot hun grote plezier: Kwaad dat ie was! Haha! En tegen jou ging die ook al zo te keer, weet je wel wat ie zei: hou je kop en hoepel op, haha, wat een chagrijn!

Dat was onze kennismaking met Polen.

Vandaar was het nog een lange rit westwaarts – tevens huiswaarts, dus die afstand moesten we sowieso afleggen – naar het plaatsje Odry (53.898400 / 17.993400), Rezerwat Przyrody.  De krachtplek die we hier zochten lag diep in het woud maar met goede onverharde wegen prima bereikbaar. Helaas was de plek omheind en gesloten, en pas de volgende dag om 10 uur weer open. De gps gaf aan dat de ingang nog maar 400 m verderop was. We waren er zo dichtbij, wat nu, nog de hele avond en de ochtend wachten? Konden we de heling of het contact vanaf hier doen? Ik voelde me wat ongeduldig, wilde ‘m nu graag zien na bijna een hele dag rijden. Zou ik over het hek kunnen klimmen? Het waren houten puntige palissades, zo’n anderhalve meter hoog. Ik pakte het rubber doek dat we soms tegen de regen hadden gebruikt en legde het opgevouwen op het hek, zodat ik de punten niet zou voelen.

Bij de ingang was een houten stellage waar ik me aan vast kon houden, maar ik moest ook terug kunnen. Margrete wees me op wat houtblokken die verderop stonden. Ik waagde het erop en het lukte. Ik liep het pad af en kwam bij een grote steencirkel uit, die uit een aantal grote stenen bestond, met daar tussenin wat kleinere. Ernaast stond een groot bord met een plattegrond, er moesten er nog veel meer zijn! En inderdaad, een eindje verder lagen nog diverse andere steencirkels en wat grafheuvels, en een merkwaardige grote kuil met in het midden ervan een steen. Snel rondgelopen om foto’s te maken, het begon al te schemeren, en terug over het hek contact gemaakt met Odilia.

Zij had al contact met de plek, was helemaal verrukt, zo enorm veel lichtwezens, en nog veel meer die zich verstopt hadden onder de grond in het bos. Odilia vroeg of ik een steentje had meegenomen: ik had wel een steentje neergelegd om de verbinding te handhaven, maar vergeten er eentje mee te nemen. Dat zullen de reiswezens leuk vinden, dan moet je nog een keer over het hek klimmen, zei ze lachend. Nee, dat ga ik niet nog een keer doen! ik zoek er wel eentje hier bij de ingang, dat is dichtbij genoeg  toch? Ja hoor, zei ze geruststellend, maar ze hadden er wel op gehoopt hoor, ze vonden je klimpartij erg leuk.

We bleven op de parkeerplaats overnachten; we weten dat Odilia dat op prijs stelt omdat in de nacht de lichtwezens dan nader contact met ons kunnen maken, in onze slaap, en dat versterkt de verbinding.

de volgende ochtend, 25 juli, ​
de reiswezens: Wat zijn er veel hier, heel veel steenwezens en lichtwezens. Ik: Hebben jullie met ze gespeeld? Nou, met de steenwezens wel, en met de dieren ook, maar met de lichtwezens spelen we niet, daar hebben we alleen maar mee gesproken, ge-com-mu-ni-ceerd, zoals jullie dat noemen, en het zijn er veel hier.

​Ik: Ik heb een vraag aan jullie. Vannacht hebben we onze slippers naast de auto laten liggen, zoals we meestal doen – en nu is er een slipper van Margrete verdwenen, hoe kan dat? We hebben de hele omgeving al afgezocht, maar hij is niet te vinden; en ik kan me niet voorstellen dat er dieren zijn die dol zijn op een plastic slipper. Weten jullie meer?​

Daar weten we niets van, we zijn ook niet de hele nacht bij de auto gebleven, we hebben wel allerlei dieren ontmoet, maar van die slipper weten we niets.

Ik merkte dat ik blij was dat ze me antwoord gaven en dat het daarmee voor hun klaar was. Vroeger zouden ze zich schuldig hebben gevoeld als we hun hulp inschakelden en ze ons niet konden helpen; daar was nu totaal geen sprake meer van.

En het autowezen wil contact met jullie, we zeggen ’t je maar, dan weet je dat.  

Gelijk gedaan, contact met het autowezen (Margrete als representant):

Ja, ik wil graag wel wat zeggen, want ik begrijp dat de reis zijn einde  nadert, toch?​ Ja, we rijden huiswaarts, nog twee of drie dagen in Polen en nog een dag door Duitsland, dan eerst de meeste spullen uitladen bij het huis van Margrete, en dan rij ik door naar mijn huis, en de dag daarna breng ik je terug, zo zal ’t ongeveer lopen.

Tja, jammer, want ik heb het wel heel erg naar mijn zin met jullie hoor, al die bijzondere plaatsen waar we komen, gisteren nog langs die rivier, en nu hier bij die kerk, en veel rijden, ook op hele rare wegen, dat heb ik allemaal nog nooit meegemaakt. En ik ben nog jong, dus ik kan het goed hebben hoor; dat zal later als ik oud ben misschien wel anders worden, want ik ga niet zo lang mee als jullie. Ik heb ook gehoord wat er met jouw vorige auto’s is gebeurd, eerst een die te oud werd om zo lang nog te kunnen reizen en het ongeluk met die Kangoo.

Ik: Dat klopt, de Multipla was echt op, had heel veel gereden maar kon het niet meer aan; hij was wel heel open naar natuurwezens, waar de Kangoo er in het begin heel veel moeite mee had, maar uiteindelijk zei die wel dat ie graag nog met ons verder was gegaan; ach, wij zijn zelf al aardig wat ouder, en hebben nog steeds veel plezier in het reizen, maar met ouder worden en afscheid nemen krijgen we allemaal te maken, inderdaad.

Nou ik begrijp wel dat als deze reis klaar is jullie mij weer terugbrengen, ik zou graag met jullie verder gaan, maar dat zit er niet in jammer genoeg, ik snap dat ik veel te groot ben voor jullie, jullie vorige auto was veel kleiner. Ik: Dat klopt, en het spijt me voor je want je bevalt me hier goed, maar voor in de stad ben je wel wat te groot voor mij.

Het zal wel wennen zijn als ik weer terug ben, veel kleine ritjes; ze zullen ook niet meer in mij slapen, dat was ook nieuw voor me, en dan al die gesprekken, met al die wezens – reiswezens, allerlei soorten lichtwezens, en jullie eigen Lichtwezen, ik wist niet dat dat bestond, ik heb zoiets nog nooit meegemaakt.

Nee, dat doen mensen niet, die zien jou als een ding en met dingen praat je niet; ze moesten eens weten. Nou dan weten ze niet veel hoor! Ik ga dat voortaan wel doen als ik merk dat er reiswezens meerijden, daar kan ik heel goed mee praten, daar verheug ik me nu al op. Ik ben jullie heel dankbaar dat ik dit alles heb mogen meemaken, ik zal er later nog veel aan terugdenken, want zoiets ga ik nooit meer meemaken, maar ik heb het in elk geval mogen beleven, dank jullie wel, en ook fijn weer met jullie te spreken, dat doe ik graag!