Ondertussen is het 1 december geweest, en zijn onze benedenburen eindelijk vertrokken, en staat de parterre dus leeg, klaar om stevig opgeknapt te worden. Nu pas dringt de consequentie tot de reiswezens door dat er beneden dus geen kindertjes meer zijn. Wat saai! Komen ze ook niet af en toe nog terug? Nee, zeker niet. Krijgen jullie dan nog kindertjes? Nee hoor! Waarom niet? Tja, daar zijn wij te oud voor, en Margrete heeft al vier kinderen, maar die zijn nu al volwassen. We proeven teleurstelling
Een paar dagen later komt de net vertrokken bewoonster even langs, postpakketje ophalen. Reiswezens: Komt ze terug? Nee, zeker niet, alleen maar even iets ophalen, verder niet. Wim, onze klusman is er hard aan het werk, hele dagen, en tussen de middag nuttigt hij daar dus ook zijn lunch. Komt hij hier dan wonen, want hij eet er toch ook? Nee, ook dat zeker niet, hij eet er alleen maar tussen de middag, verder niet, hij werkt daar maar gaat er niet wonen, hij heeft zijn eigen huis waar hij woont en hier komt ie alleen klussen. Ja dat dachten we al te weten, maar het werd ons gevraagd en we wilden het zeker weten om geen verkeerd antwoord te geven. Door wie werd jullie dat gevraagd, de huisgeest? Nee, meer door al die andere wezens, er zijn een heleboel nieuwe wezens gekomen die wij nog niet zo goed kennen. Noem er eens een paar. Nou, in elk geval kluswezens, zullen we maar zeggen, maar nog veel meer, en ook in de tuin zijn er nieuwe bij gekomen, ze zijn allemaal heel nieuwsgierig wat er gaat gebeuren.
December is nog geen week oud, beneden wordt al stevig verbouwd (eigenlijk alleen nog maar afgebroken en leeg gehaald), en Margrete is al hele ochtenden hard bezig in de tuin; er moet veel gebeuren, er lag een tapijt van kunstgras en de rest oogt zeer verwaarloosd.
Het tuinwezen is heel nieuwsgierig, en het Bultig Mannetje, een soort tuinwezen dat is meegekomen vanuit Margrete’s voormalige moestuin, heeft zich al die tijd tevreden moeten stellen met een plekje op het balkon 1-hoog. De reiswezens komen nu melden dat ie af en toe heel even in de tuin is geweest om daar zijn toekomstige plek te zoeken, en nu na de eerste week heeft hij die al gevonden, maar hij kan er nog niet terecht omdat Margrete zijn stenen afbeelding eerst in de was moet zetten omdat die nog niet weersbestendig is.
Ze vertellen ook dat hij niet echt zelf van balkon naar tuin en terug kan zoeven, maar dat ie geholpen wordt door een aantal zogenaamde zoef-wezens (dat is niet hun officiële benaming).
Margrete heeft met een vriendin afgesproken op woensdagochtend, ze moet om half negen vertrekken, maar we willen eerst nog even beneden met klusman Wim overleggen over welke vloersoort er gaat komen, laminaat, massief hout of een tussenvorm. Om half negen is Margrete nog druk bezig haar spullen bij elkaar te zoeken, terwijl ik al klaar sta; ik lever geen commentaar, ik zeg wel dat ik geduldig wacht tot zij klaar is en dat doe ik ook. Dit geduldige gebaar raakt bij Margrete niet de juiste snaar, ze raakt nog meer in stress en reageert nogal boos naar mij, en wil uiteindelijk geen tijd meer vrij maken voor Wim en direct snel de deur uitgaan, vol verwijten naar mij. Haar voornaamste verwijt is dat ik haar verzoek om vast naar Wim beneden te gaan niet heb uitgevoerd, maar zelf had ik het idee dat ik in het hoekje op de gang geheel niet in de weg stond. Haar beleving was dus anders, ik stond nog te dichtbij in haar ruimte, en ik schijn er op de verkeerde manier om gelachen te hebben, zoals zij het beleefd heeft. Ik was me van de prins geen kwaad bewust, laat haar maar gaan. Later die dag krijg ik wel een berichtje dat zij wat vroeger thuis komt om nog met Wim te overleggen, en daaraan toegevoegd de mededeling dat zij nog nooit eerder zo’n akelige reactie van mij heeft meegemaakt. Eenmaal terug thuis is de woede gekoeld en praten we samen in goede harmonie met Wim.
’s Avonds in bed plaag ik haar er nog wel een beetje mee, en spelend dat ze boos is bijt ze mij, een reactie die zij wel vaker vertoont waarbij ik dan erger doorbijten voorkom door haar een stevige por in haar zij te geven (soms raak ik dan, geheel per ongeluk natuurlijk, ook wel eens de gevoelige rib die ooit gebroken is geweest). Zo’n soort situatie deed zich dus nu in bed voor, alles geheel in speelse sfeer, maar haar beet heb ik wel degelijk gevoeld (zij mijn por waarschijnlijk ook). Even later reageerden de reiswezens: We hebben wat gemist hè? Zij heeft je weer gebeten, daar hadden we bij willen zijn, willen jullie voor ons nog een keertje doen, dat vinden we zo leuk! Nee natuurlijk, wij waren er klaar mee, maar ik was wel nieuwsgierig hoe zij dat zo snel wisten.
Van het slaapkamerwezen, die kennen jullie wel, die heel lieve. Ja, die kennen we inderdaad, diverse keren mee gesproken. Had zij het ook leuk gevonden? Weten we niet, ze heeft ’t ons verteld omdat ze weet dat wij dat leuk vinden, en dat is ook zo. Gaan jullie nog verder met ruzie maken? Ik: dat moeten jullie aan haar vragen, wijzend op Margrete. Toen brak er een gebulder aan lachen uit, deze opmerking van mij voelden ze blijkbaar haarfijn aan. Nou daar willen wij niet bij zijn, we gaan maar gauw weg. Dag
