Monte-negro


Hierna kwamen we door Montenegro, en zochten een overnachtingsplaats aan het meer van Skodër. Ik verkeerde in de veronderstelling dat we, net als vorige keer, de weg aan de noord-oost kant van het meer hadden genomen die langs prachtige natuur voert. Margrete had echter de route aan de zuid-west kant aangegeven vanuit de TomTom, waardoor we een flink stuk terug moesten rijden om bij het meer te komen. Ik had flink de pé in!
Uiteindelijk vonden we een geschikte overnachtingsplek pal naast een gesloten Italiaans restaurant. Via de trap bij het restaurant kwamen we bij het water uit, en hebben daar nog even heerlijk gezwommen. Op weg naar boven bleek het restaurant weliswaar gesloten, maar wel bewoond. De Italiaan was tot onze verrassing en geruststelling uitermate vriendelijk!
Het waren slechte tijden, vertelde hij.

De volgende dag begrepen we wat hij had bedoeld: verderop de weg lagen op mooie uitzicht-plekken enkele nieuwe grote restaurants, met ruime parkeerplaats voor touringcars. De vooruitgang heeft ook in deze streken enorm toegeslagen! In elk geval hebben we onze meegebrachte warme maaltijd maar niet, zoals we eerder van plan waren, op zijn terras genuttigd, maar bij de auto; wel met prachtig uitzicht over het meer.
De reiswezens vroegen ons of het nu weer goed was tussen ons, we hadden ze flink in de war gebracht. Eerst was er mijn boosheid over de verkeerde route, wat ze niet alleen aan onze woordenwisseling hierover meekregen, maar ook aan ons licht konden waarnemen.
Tot zover alles helder, hoewel ze slecht tegen ruzie kunnen. Maar bij het zwemmen erna en het nuttigen van onze maaltijd was het tussen Margrete en mij wel bijgetrokken, maar ik plaagde haar er nog wel mee dat we verkeerd waren gereden; en dat bracht verwarring bij de reiswezens: Jullie ruziën nog steeds maar aan jullie licht kunnen we zien dat het wel goed is tussen jullie, heel verwarrend! Tja, plagen is heel lastig te begrijpen voor ze, hoewel we later zouden merken dat ze het aardig onder de knie gingen krijgen en ons (vooral mij) flink gingen terugplagen.

Het zwemmen zette me nog wel aan tot wat vragen aan onze reiswezens: Als wij zwemmen, waar blijven jullie dan? Op de kant, en als jullie verder gaan dan hangen we een beetje boven jullie in een soort ballon.
En vissen in het meer, kunnen jullie die waarnemen? Daar hebben we niets mee. Praten jullie nooit met vissen? Nee, die interesseren ons niet.
En hoe ervaren jullie het restaurant hier? ‘n Beetje zielig, de huisgeest vind ’t te stil.
En hebben jullie nog lekker ijs binnen gevonden? Nee, misschien in die grote diepvrieskist, maar daar kunnen wij niet bij.
Maar vanmiddag in dat restaurant, daar was genoeg te genieten voor jullie toch? Ja, choco-ijs en die zoete baklava, lekker hoor! En toen kwam die bus vol Duitsers, boeiend voor jullie om met hun reiswezens te communiceren? Nou niet zo, dat land kennen we al wel, we hebben er ook wel ’s bij iemand gelogeerd, dus dat is niet echt interessant voor ons. En daarstraks die hele rij bij de douane? Ook niet echt interessant, zaten veel mensen bij uit jullie land. Wij gaan liever naar mensen uit andere landen. En die twee in de geparkeerde auto verderop? Saaie reiswezens!
Later op de avond werd het toch nog interessant voor ze: de Italiaan kreeg eters op bezoek! De reiswezens: Het lijkt er op dat het zijn kinderen zijn, en hún kinderen, en er wordt rode wijn gedronken, mmm! 

Nog wat later: Nu is de huisgeest in verwarring, al die gezelligheid eerst en nu weer stil. En houden jullie nu weer van elkaar? Ja hoor, en ook van jullie; en jullie ook van ons?
Dat zie je toch aan ons licht! Hier hadden ze mij beet, haha!