In gesprek met het Auto-wezen

Morgen breng ik de auto naar Wim, die er een dubbele vloer in gaat bouwen, om op te slapen en eronder bagage te plaatsen. Voor het  autowezen zijn deze termen geheel vreemd: Ja, er werd vroeger wel ’s even gerust op een stoel. Fijn dat ik met jullie kan praten, krijg ik tenminste uitleg. 
Ja, de vorige auto had er moeite mee, wilde eigenlijk niet praten. Het is toch juist handig! Ik heb dit nog nooit meegemaakt. Die reiswezens van jullie, die praten wel veel. Ja, te veel, en ze luisteren nu mee, kunnen ze er rekening mee houden. De vorige auto vertelde dat ie vaak dezelfde routes reed. Ik ook wel, maar belangrijker vind ik als  ik maar rijd. En zoals nu, is dat reizen? Nee, als we reizen blijven we in de auto slapen, nu niet. Als alles is ingebouwd, gaan we dan reizen?  Niet direct, maar wel spoedig erna. Soms maar één nachtje, soms vele. Gaat het tussenschot eruit? Ja, het wordt één grote ruimte, maar het wordt keurig los geschroefd, geen brekerij. Ik zie het wel. Er komen enkele handvaten bij. De vorige auto was uiteindelijk wel gewend, vond het zelfs leuk, had nog graag meer gewild. Dat is wel heel jammer voor ‘m. Bij Wim op het terrein lopen ook wat kinderen te spelen. Zijn kinderen? Nee, zijn kleinkinderen, hij moet oppassen. Wat zijn kleinkinderen? Oh, kinderen van zijn kinderen. Heb jij die ook? Nee, maar Margrete wel. Gaat Wim met de auto rijden? Nee, heel misschien, als hij je komt halen, of ik breng je, moet nog geregeld worden.