Naam reiswezens en plaaggeest
De reiswezens hebben geen eigen naam, we noemen ze altijd samen, de of onze reiswezens of onze jongens. Ze hebben er ook nooit om gevraagd, maar Margrete en ik overwegen diverse passende mogelijkheden. Als we over hun praten zijn ze er altijd als de kippen bij, dus ze luisteren ook nu weer mee. De treuzelaars past dus niet, die valt af. Zijn ze ’t helemaal mee eens: Als we willen kunnen we heel snel zijn! De braverikken dan. Nee, klinkt te braaf, zijn we niet. De deugnieten dan? Nee, zijn we niet. De naamlozen? Daarvan raken we in de war. De warhoofden….geen reactie. Misschien omdat ze liever naar het strand gaan? Ja! Maar ze gaan niet, ze blijven hangen. Jullie zijn er toch nog? Even stilte. We zijn er nog, we zijn in de war. Van onze grapjes? …Stilte. Reiswezens, voelt dat toch beter dan alle andere? Jaa! Wij zijn weer reiswezens!! En weg zijn ze. Odilia geeft een toelichting: In jullie wereld voelen jullie niet meer zo sterk de betekenis van een naam; in de etherwereld ben je je naam. Je naam dient dus aan te geven wat je doet, wat je taak is. Hun taak is reizen, uitwisselen van informatie via licht; voor hun is er geen mogelijkheid tot een fantasienaam, het zijn reiswezens, een andere benaming zou ze energie kosten.
Ik plaag graag. Toen Margrete en ik elkaar nog niet zo lang kenden, als zij iets niet kon vinden, riep ik altijd luid: SLORDIG! Doe ik trouwens nog steeds, maar in het begin voelde ze zich zeer op haar teentjes getrapt; tegenwoordig roept ze me hetzelfde toe als ik iets kwijt ben. Hetzelfde als ze iets te duur vond, dan riep ik KRENT, voelde wat pijnlijk voor haar want zij heeft in haar leven wel periodes gehad dat ze echt heel zuinig moest leven. Het heeft in elk geval opgeleverd dat ze er niet meer zo overgevoelig voor is en het nu ook tegen mij kan gebruiken.
Kortom, je mag me gerust een plaaggeest noemen. De reiswezens vinden dit verwarrend, zij kennen in hun wereld ook dit begrip, maar dat zijn dan echte, hele nare, boosaardige, en dat zien ze in mij niet. Bovendien vinden ze plagen ook heel lastig, maak je dan een grapje of ben je dan boos? En zij kennen geen boosheid, dus ook al lastig. Kortom, ze hebben soms wat moeite met me. Worden ze wijzer van, zeg ik dan. Is toch ook zo?

