Beleve-nissen met Frits 4

Ik werkte zowel toen als nu geregeld met familie-opstellingen, zowel in Ede als in Den Haag. Frits was hier zeer in geïnteresseerd. Opstellingen spelen zich in de energetische ether-sfeer af, die wij mensen niet kunnen waarnemen, behalve dan door wat er in de opstelling zichtbaar wordt – door de plaats die de mensen kiezen en door wat ze erbij aangeven te voelen. En Frits, als natuurwezen, lééft in de ethersfeer! Hij kon dus veel meer waarnemen dan wij; heel boeiend omdat hij na afloop met veel extra achtergrond informatie kwam, waardoor sommige verschijnselen nog veel beter begrepen konden worden. Heel leerzaam!

Ik heb daarbij ook weleens een ernstige fout gemaakt. Frits logeerde bij mij, en ik had het er met Margrete over gehad dat ik contact met Frits miste, maar bij de opstellingen wel iemand zou vragen even voor Frits te gaan staan, zodat ik dan op die manier contact met Frits kon maken.  Het werd echter een drukke en enerverende avond, en ik heb Frits helemaal vergeten. De volgende dag was Frits lekker bezig op het strand en probeerde Margrete op afstand contact met ‘m te krijgen, maar dat lukte niet, ze kreeg alleen een soort nukkig gevoel door, blijkbaar was hij zeer ontdaan over mijn vergeetachtigheid, en terecht! Gelukkig gingen we twee dagen later naar de cursus van Susanne in Amsterdam, en haalde ik Margrete van het station op en hadden we  even gelegenheid om hem zijn hart te laten luchten, en voor mij om een oprecht sorry te zeggen.

Later heb ik diverse keren in de opstellingen Frits laten representeren door een deelnemer, dat vond ie altijd heel boeiend, en fijn dat hij en ik op deze wijze dan even contact met elkaar hadden. De mensen die hem representeerden ervaarden daarbij altijd een sterke levenslust, speelsheid en plezier.

In december was Frits al aardig vrij, bij Margrete kon hij naar de vijver een paar straten verderop, en van mijn huis uit, in Scheveningen-dorp, zelfstandig naar strand, en de andere kant op, naar de Scheveningse bosjes, weliswaar na onze toestemming, maar die verleenden wij ‘m eigenlijk altijd. En op tijd terug, maar dat namen wij altijd heel ruim, hij kent geen tijd, dus zeggen dat ie om 4 uur thuis moest zijn werkt niet. Maar wel zoiets als: Wanneer het grote licht (de zon) over zijn hoogtepunt is, of: Voor donker.

Over het strand wisten wij dat hij veel optrok met de neptunus-kinderen, hoewel vast ook wel met andere natuurwezens. Toen Frits al lang vertrokken lieten de zandwezens ons bijvoorbeeld weten dat ze ons kenden van Frits, en dus ook wisten dat wij vaak iets lekkers voor ze achterlieten (en dat ze daar nu ook naar uitkeken, hartje winter, geen terrasjes meer). Zoals ik al eerder geschreven heb, wisten we ook dat hij soms bij de haven uithing, in wezen een verlengstuk van het strand, want in de buitenhaven liggen strandjes, en bij beiden zullen wel zeewezens te vinden zijn. En wellicht was hij ook wel gefascineerd door de boten, hoewel hij daarover niet heeft verteld (en wij er ook niet naar gevraagd).

In het achterland,  de Scheveningse Bosjes, zijn natuurlijk vele soorten natuurwezens, en hij had het ook over water. Dat moet dan vanuit Scheveningen-dorp een aardig eind richting Den Haag zijn geweest, de Waterpartij en het Belvedère, maar wel voor de enorm drukke verkeersweg  waarachter Den Haag officieel begint. Bovendien, hij was niet volledig vrij! Dit was het bereik waar hij vrij spel had, verder kon hij niet, en bovendien, waar moest ie heen? Als hij al behoefte had aan te ontsnappen, zijn eigen gebied zou hij niet weten te vinden, en Margrete en ik waren nog steeds zijn (aardse) begeleiders. Hij kon ook nog niet zelfstandig vliegen/zweven (hij is  een luchtwezen!), maar werd door een hulpwezen gedragen, had ie ooit verteld. Hoe ging dat in zijn werk? Voor alle duidelijkheid, Frits had dus wel meer bewegingsruimte gekregen, maar niet zijn vliegvermogen teruggekregen. Er was blijkbaar een hulpwezen voor Frits aangesteld, een “vervoerswezen” bij gebrek aan een betere benaming, die een soort van energie- of lichtbaan vormde waar Frits overheen kon glijden. Van onze reiswezens hebben we begrepen dat zij er ook wel eens gebruik van maakten, maar als het te vaak gebeurde werden ze tot de orde geroepen. Dit vervoerswezen liet Frits precies zo ver gaan als hij mocht, maar verder bemoeide dit wezen zich niet met Frits. Volgens de reiswezens was het wel een sympathiek wezen.

Soms had Frits het wel moeilijk met mij. Omdat ik hem dus niet kon zien of horen, in tegenstelling tot Margrete, zei ik als ik de deur uitging altijd duidelijk dat ie mij moest volgen. Ik dacht hem behulpzaam te zijn, door duidelijk te zijn. Hij echter vatte het als strengheid op, want hij volgde mij van nature al, en om dan nog eens verteld te worden dat ie dat ook moest doen ervaarde hij als onprettig. Toen we hierover spraken (via Margrete) heb ik mijn intentie uitgelegd en ‘m ook beloofd dit niet meer steeds te doen. Hierin kon ik hem dus tegemoet komen; wat lastig bleef is dat ik niet zag hoe hij zijn best deed, en dus van mij nooit een complimentje kreeg. Ook dit heb ik ‘m uitgelegd, ik hoop dat ie dit begrepen heeft.