appel-taart

18 sept. Margrete gaat twee appeltaarten bakken, één voor mee op reis, de ander voor mijn verjaardag morgen (hoewel ik zelf al een grote Haagse Kakker had gekocht). Geen probleem,  komt toch wel op. Terwijl ze met het deeg bezig is vraagt ze mijn hulp; ze heeft er te veel eieren in gedaan; vreemd, ze heeft al heel vaak appeltaart gebakken. Ze heeft het gevoel dat “iets” haar dat heeft laten doen. Ik stel voor dat zij representant gaat staan voor het keukenwezen. Als ik begin me voor te stellen zegt “hij”: we kennen elkaar toch al. Ja, dat klopt. Ik heb een vraag, Margrete heeft het gevoel dat iets buiten haar haar te veel eieren heeft laten gebruiken, was jij dat? Nee, ik niet. Weet je wie of wat wel? Stilte, veelzeggend.

Je weet het dus wel, maar wil het niet zeggen. Dat klopt. Maar zo erg is het toch niet als je dat vertelt, het zou voor Margrete wel fijn zijn om te weten wie haar ertoe heeft aangezet en waarom. Omdat het zo lekker ruikt. Ah, in de hoop dat ze er meer gaat bakken, wat ze nu inderdaad gaat doen. Ja, precies, daar zijn ze blij mee; soms komen ze van beneden naar hier. Je bedoelt geurwezens? Ja, daar ruikt het wel vaker heel lekker als er gebakken wordt. Maar wat voor soort wezens hebben dit dan gedaan, niet de geurwezens zelf toch? Nee, die niet, ik ben het opperkeukenwezen zou je kunnen zeggen, maar er zijn er meer. Ok, boeiend, dank je wel. Ja, dag.