Verslag van Antoon als repre-sentant van een kabou-ter

 Representant als kabouter.
Joke representeert het wezen van een jaren geleden gevallen ‘duizendjarige’ vergrijsde Den, die als bemoste reus op een open plek op de grond ligt. Hier en daar vertoont de stam nog leven en op zijn stam zijn soorten als lijsterbes, berk, esdoorn en bosbessenstruikjes ontsproten. Joke meldt zich als representant van de grijze Den. Ik voel dat ik veel speelse energie bij mij draag en word zeer sterk naar Joke, de opstelling in getrokken. Ik buig diep en grijp de hand van de grijze Den, die moe en traag reageert op vragen. Ferry vraag aan mij wie ik ben. Meteen krijg ik een hoog stemmetje en begin te giechelen: “Ik ben hier onder en om de Den komen wonen toen die viel. Ik ben hier met nog meer kabouters. Wij verzorgen Den en alles eromheen. Ik streel de hand van de Den. Ik voel mij daarover heel vrolijk en zonnig”. Iemand vraagt: Ik voel hier ook boosheid, klopt dat? Kaboutertje met een verdraaid stemmetje: “Neee, dat voel ik niet, nooit. Ik wil spelen en springen” Margrete: Komen er ook wel eens kinderen die je zien? Kaboutertje vrolijk: “Ja, regelmatig, maar ze mogen niet vaak spelen. En zie je dat hekje? Gaan ze niet overheen, jammer, jammer. En hij- ik wijs op de Den – is ook zo saai en sloom.” Ondertussen aai ik toch over de hand van de Den, maar kijk hem niet aan. Er worden nog enkele vragen gesteld en door mij of Den beantwoord. Dan komen wij uit onze representatierol en is er een nagesprek onder leiding van Ferry. Dat is minstens zo interessant. Want daardoor word ik mij ervan bewust dat ik als kabouter pure beleving was, pure vreugde om het leven dat ik verzorgde. Toegewijd aan de Den, verzorg ik met vreugde en ondeugendheid deze mooie plek in en om de Den. Al vele tientallen jaren. Vragen die gaan over het bos, de geschiedenis van de boom, allerlei weetjes, kan de kabouter niet beantwoorden.
Hoewel hij duidelijk in contact staat met de Bosgeest en heel goed verschillen in dag en nacht in stemming kan voelen en weergeven, is zijn wereldje klein. Want zijn functie is zijn wezen en die beperkt zich tot deze enkele tientallen meters. Wat hem betreft mag het hekje weg, zodat hij weidser kan werken en spelen. En vooral dat de kinderen erin en erop kunnen komen, zodat hij speelkameraadjes heeft. Maar wat mensen doen in het landschap kan hij niet ongedaan maken, hij neemt alles zoals het komt. Heel helder ook ervaar ik het contrast tussen de vreugdevolle, levendigheid als Kabouter en de trage, stervende, saaie energie van de Den. Dit herkent iedereen die het schouwspel van Den en kaboutertje heeft gadegeslagen.
Antoon