Boekbe-spre-king “Het tove-naars-woud”

Boekbespreking ‘Het Tovenaarswoud – verhalen over natuurwezens’ door Cornelis Jan Cuperus

Dit boek gaat over de persoonlijke belevenissen van de schrijver Cornelis Jan, die in de loop van het boek aangeeft dat hij vooral een in een mens geïncarneerde regenboog-elf is, met alle problemen en ontwikkelingsmogelijkheden die dat voor hem heeft meegebracht. Zoals zijn vermogen om direct met verschillende groepen elementwezens te communiceren. Het is een makkelijk leesbaar boek door de verhalende stijl. Wat niet wegneemt dat het zeer instructief is voor wie zich vanuit het hart wil afstemmen op de elementwerelden en de daar levende wezens.
Soms is het hierbij nodig om een vertaalslag te maken, aangezien de schrijver alle benamingen nog kent vanuit zijn achtergrond als Keltische druïde. De godennamen zijn daarom allemaal Keltisch. Zo is de aardegod die gewoonlijk met Pan wordt aangeduid, bij hem Cernennos; de watergod die wij als Neptunus aanduiden Mannanán Mac Lir, en Moeder Aarde ofwel Gaia heet Danu, die tevens de moeder is van de Hoge Elfen – het volk dat we uit de Ierse sagen kennen als de Thuatha Dé Danann. Niet dat dit storend is, want zijn beschrijvingen zijn helder genoeg. Ik zal kort stukjes vanuit zijn biografie met betrekking tot de verschillende elementwezens beschrijven, die mogelijk voor jou als lezer ook verhelderend kunnen zijn voor je eigen ervaringen en levensloop. Ook zal ik stilstaan bij verschillende groepen die voor mij nieuw zijn, ofwel een andere taak blijken te hebben dan ik zelf had waargenomen ofwel bedacht, op grond daarvan. 
Cornelis Jan begint met de ervaring van een elf in het stukje tuin dat hij koestert bij zijn ouderlijke woning. Telkens als hij er planten uittrekt, wordt er vanuit een struik een steentje naar hem gegooid. Bij afstemming blijkt het een elfwezen te zijn die in dat  bosje is gaan wonen, en die het mooi vindt zoals het is. Onkruid bestaat niet voor deze elf. Cornelis Jan beleeft zijn diepe verbinding met dit wezen, en neemt ook de struik mee als hij later naar een eigen plek verhuist. Hij ziet de elf ook groeien naarmate die meer aandacht en liefde krijgt. Dat is tevens de sleutel van het gehele boek: de elementwezens hebben vroeger nauw met ons samengewerkt.
 Maar door onze diepere val in de materie en daardoor lagere frequentie, zijn wij dit contact grotendeels verloren. Zij niet, en zij hebben er een sterke herinnering aan, en wachten met smart op de hereniging. Die ook langzaamaan aan het gebeuren is doordat wijzelf met humor, lichtheid en liefde weer een hogere trilling krijgen. Wat natuurlijk de tegenstrevende krachten met man en muis trachten tegen te werken door ons angsten voor te houden via hun media. 
Die humor krijg je gaandeweg het boek ook vanuit alle hoeken mee, bijvoorbeeld wanneer de elfen uitrukken om een in de negatieve energie gevallen plaats gezamenlijk te lijf gaan door deze met humor en creativiteit om te vormen. Ze maken er een ‘Ellen Degeneris-show’ van en hebben dikke pret met elkaar, wat de duisternis omvormt. Het door het boek heen doorspekte ‘hihi’, wat je als lezer aanvankelijk wat kan verbazen, wordt beleefbaar aangezien Cornelis Jan aangeeft een van hen te zijn. Hij heeft ook duidelijk plezier bij het schrijven. 
Een bijzondere groep van element-wezens die ik niet als zodanig had herkend, zijn de ‘Brownies’, wezens met lange dunne ledematen, vrij klein, die zich voor ons onzichtbaar kunnen maken. Ik heb verschillende filmpjes gezien waarbij ze door een (Uit ‘Pelo caminho das fadas’ (op de weg van de feeën), Uitg. Colleçao Omnia, Lissabon 1997).  kamer lopen, onder een bank verdwijnen en dan ook letterlijk verdwijnen. 
Mijn Portugese vriendin Luisa Barreto heeft een schilderij van hen gemaakt nadat zij zo’n wezen waarnam (zie de afbeelding) en noemde het een elf. Ook zij hebben lang met ons samengewerkt en wachten op de wederontmoeting. 
Ook kwam Cornelis Jan ineens voor een dodenpoort en sprong er per abuis in, waarop de twee wachters, kobolden nogal boos waren en ook verward, omdat zij normaliter mensen afschrikken door hun afzichtelijke gebochelde verschijning. Cornelis Jan kwam snel terug en hoorde later van hen dat zij, evenals trollen, werken in de transformatie van negatieve energieën die wij mensen hebben voortgebracht en als dubbelganger met ons meedragen. Vandaar hun vaak lelijke uiterlijk. 
Wanneer je als mens wel bereid bent om je eigen schaduwkanten in de ogen te zien en je ermee uiteen te zetten, blijken zij warmhartige wezens te zijn die ook veel met humor werken. En daardoor helpen duisternis te transformeren.
 Dit lijkt aanvankelijk vrij lijnrecht te staan op mijn eigen ervaring van een trol in Noorwegen een keer, die mij wilde doden, eerst door bijna een verkeersongeluk te veroorzaken, later, nadat hij bleek te zijn meegelift, door op mijn kiespijn in te werken. Nadat hij hiervan niet wilde afzien en zich niet wilde omvormen, heb ik hem gewenst in de afgrond te vallen, wat daarop prompt gebeurde. Ik schrok ervan, maar zag later, toen ik nog eens in zijn wereld schouwde, dat dit vallen een toestand was waarin hij zich bevond.  Zodat ik hem kon loslaten en de kiespijn afnam. Als ik dit aanzie in de visie van dit boek, dan kan de trol ook een stuk van mijzelf zijn geweest dat dood wou. En zich als zodanig meer uiterlijk manifesteerde. Wat dus in de afgrond is gevallen. 
Een belangrijk stuk van zijn boek gaat over een steen met een holte, die op een gegeven moment naar hem toe komt rollen. Hij komt bij aanschouwing in direct contact met de elfen, die hem vertellen dat zij het andere stukje bij zich houden als teken van hun verbondenheid. Hij houdt deze steen sindsdien bij zich en dankt bij het voelen de elfen voor hun verbondenheid en inzet. Door allerlei ervaringen komt hij erachter dat het achtergebleven  stukje steen samenhangt met een deel van zijn eigen ziel dat hij nog niet erkend heeft, en dat te maken heeft met zijn verdriet om in een mens te zijn geïncarneerd, met een lagere trilling dan zij, waardoor hij die verbinding niet meer zo sterk heeft. Hij integreert dit deel in zijn ziel, wordt meer heel en kan zijn aardse leven weer beter waarderen als zijnde een leerschool. Dan komt hij erachter dat de elf die hem het steentje aanvankelijk deed toekomen, eigenlijk net als hijzelf zich verstoten voelde, en daardoor uit de harmonieuze wereldorde was gebannen, waarin alles en iedereen tot op zekere hoogte één is, verbonden door de hartkrachten. Zij dragen beide het verdriet om verstoten te zijn, en hij kan deze elf overtuigen om zich te laten genezen door het helende centrum van de aardegod, en blijft met hem hierna ook door de steen verbonden. 
Zo werkt Cornelis Jan ook transformerend aan het gehele aardeveld – dit overigens naast zijn eigen landschapswerk. 
Cornelis Jan komt aan een paddenkoning voorbij, die negatieve energie met humor transformeert in een gouden bal, aan de Deva van het Lauwersmeer (waar hij in de buurt woont), feestende kabouters, de huisgeest, en ook langs Ruselka, oftewel een van de Ruselka’s. In oude mythen worden deze afgeschilderd als angstaanjagend, die bijvoorbeeld mannen verleiden en doden. Maar in oudere mythen, van voor de kerstening, zijn het godinnen die in het voorjaar uit het water komen en dan dansen, waardoor de plantengroei op gang komt. Ook werken ze in de genezing. Hijzelf ziet ze als mooie groen-blauwe vrouwengestalten. Vertaald in meer gangbare benamingen, zou je ze kunnen zien als de nukken, de hogere waterwezens die de waterhuishouding van een streek, meest rond een rivier, regelen. In Noorse verhalen moet je ook oppassen voor Nøkken, die als een wit paard uit het moeras kan komen en je verleiden er zelf in te lopen. Hij maakt opnieuw contact met de Ruselka, en die laat hem zien dat zij ook werken in het menselijke lot, wanneer die op een kruispunt van hun leven staan. Als zodanig kun je hun werkingen ook herkennen als de Germaanse Walkuren, de schikgodinnen. 
Een belangrijke beschrijving van Cornelis Jan’s verdere levenspad is de ontmoeting met Sheia, de witte wolf, die zijn leermeester wordt. Een bekend Keltisch motief, dat bij hem werkelijkheid wordt. Vervolgens beschrijft hij verschillende hybriden/bastaards, dat zijn mensen die voorheen in andere natuurrijken zijn geïncarneerd, zoals hijzelf ook.
Nieuw voor mij is zijn beschrijving van de zee-elfen, die in het water leven, er verschillende steden hebben, en die helend en verbindend binnen de zeeën werkzaam zijn. Toen ik na het lezen hiervan weer eens in de golven speelde en plezier had in het onder water bewegen, draaien, spelen – iets wat ik van jongs af aan al doe – realiseerde ik me dat dit rijk van de zee-elfen mij zeer vertrouwd is, ik leefde er eens. 
Het gaf me een stuk her- en daarmee erkenning. 
Hoopvol is de beschrijving van de Hoge Elfen, die weer in ons bewustzijn aan het terugkomen zijn doordat onze trilling verhoogt door de bewustzijnsgroei. Hij komt met de aanduiding van Avion, een elf die de ambassadeur is voor de elementwezens. Net als alle elfen werkt deze met verbinding vanuit het hartebewustzijn, waarin we ons één kunnen voelen met alle wezens van goede wil. Hierna volgt een deel over de draken, die eens samen met ons opgroeiden – hijzelf was als vroegere tovenaar een drakenbereider – en waarmee we ook naar de toekomst toe weer meer contact kunnen maken. Zij werken in de energetische reiniging van aarde en kosmos. Met de waarschuwing dat velen van hen boos en getraumatiseerd zijn door onze negatieve verhouding naar hen – velen zijn vervolgd en gedood – en dat er een aantal zich daarom tegen ons hebben gekeerd. Andere zijn nog boos en willen van ons erkenning van het aan hen aangedane onrecht. Daarnaast onze oprechte excuses.
En een ander deel heeft hun 3 In de zuidelijke sterrenhemel staat het sterrenbeeld de Wolf, dat ook de innerlijke leraar verbeeldt. (Zie ook mijn artikel in Sterrenwijs nummer 20, ‘De aarde als leerweg door verschillende rassen’, over de bastaards.) 
En een ander deel heeft hun trauma’s verwerkt en is weer bezig met de samenwerking. Ik heb dat eens beleefd, en vond dat eigenlijk zeer koddig en aandoenlijk, bij een draakje dat zich voorstelde. Het was een lieflijk en innemend wezen. ( Volgens mij zijn dit niet de reptielwezens die zijn geïncarneerd of geïncorporeerd. Al kunnen die oorspronkelijk wel van dezelfde ster komen, namelijk a-Draconis, de helderste ster in het sterrenbeeld de Draak.) 
Hij geeft een beschrijving van de regenboogmagie door de Sidhe, de regenboog-elfen die transformerend werken met en door de kleuren, en hier doorheen met humor. Dat is ook zijn eigen werk, als zijnde een vroegere regenboog-elf. 
Het boek eindigt met het beeld van een tovenaarswoud, dat diep ligt in de elementwereld van Cernennos/Pan, en waarnaar wij weer terug kunnen groeien wanneer de tovenaar zich opnieuw bewust wordt van zijn eigen hogere ik en de krachten en kwaliteiten die daarin schuilen. Waarachtig een hoopvol beeld, dat al door het gehele boek aanwezig is, maar nu tot een algeheel beeld voor de nabije toekomst wordt, ook al lijkt het wat ver weg te staan van het alledaagse leven. 
Door Cornelis Jan’s levendige beschrijvingen kun je hier innerlijk makkelijk bij. Het boek sluit af met een mooie meditatie, die je via je hogere ik met de oerbron verbindt, en daarna met Moeder aarde en haar wezens. Alles bij elkaar een waardevol boek voor wanneer je je meer met de elementwezens wilt verbinden. Jammer genoeg is het uitverkocht, maar ik vermoed dat als je lang genoeg aandringt bij Cornelis Jan, hij het misschien wel weer wil herdrukken.
Uitgegeven door Sheias Natuurbeleving, zie www.sheias.nl. Op de website vind je ook verschillende mooie verhalen over planten, dieren en elementwezens. En daarnaast interviews met hem.